Zomer = zwemplezier!

Foto: © Shutterstock

Een frisse duik kan deugd doen bij warm weer. Met deze tips geniet jouw beste buddy in alle veiligheid van een zalige zwempartij

CHECK DE ZWEMPLEK
De ideale zwemplek heeft een aflopende oever. Zo kan je hond geleidelijk aan in het water gaan en raakt hij er makkelijk weer uit. Blijf weg van kanalen: daar kan een gevaarlijke onderstroming aanwezig zijn door sluizen of het verkeer van schepen. Laat je hond niet zwemmen in de buurt van vissers: je zwemkampioen kan verstrikt raken in de vislijnen. 
Wees ook aandachtig voor de waterkwaliteit. In de zomer kan stilstaand water een broeihaard worden voor blauwalgen (cyanobacteriën), vooral wanneer het een lange tijd warm weer is. Water met blauwalgen herken je aan een blauwgroene, turquoise of roodachtige drab die op het oppervlak drijft. Je hond kan deze bacteriën binnenkrijgen en kan er behoorlijk ziek van worden en zelfs ademhalingsproblemen en verlammingsverschijnselen krijgen. 
Spot je dode vogels of vissen, dan kies je ook best een andere zwemplek. Die dieren kunnen immers overleden zijn ten gevolge van botulisme: een vergiftiging met botuline. In ondiep, stilstaand water dat opwarmt bij hoge temperaturen en geen zuurstof meer bevat kan de bacterie Clostridium botulinum zich aan een razend tempo gaan vermenigvuldigen. Deze bacterie produceert botuline, een gif dat ook ademhalingsproblemen en verlammingsverschijnselen kan veroorzaken. 
Waarschuwingsborden geven soms aan dat er sprake is van blauwalg of botulisme, maar wees ook aandachtig wanneer je geen bordjes ziet en ga naar de dierenarts als je vermoed dat je hond hiermee in contact is gekomen. 

ZWEMLES
In tegenstelling tot wat je misschien zou denken, weet niet iedere hond instinctief hoe hij moet zwemmen. Sommige honden hebben zwemlessen nodig. Daarvoor kan je terecht in een hondenzwembad of een hydrotherapiecentrum. Het personeel daar heeft de nodige kennis en kundigheid om je hond te begeleiden bij zijn eerste baantjes in het water.

WATERRAT?
Als het aankomt op zwemtalent is de ene hond de andere niet. Sommige honden werden specifiek gefokt om een taak in het water uit te voeren. Retrievers moesten aangeschoten waterwild apporteren uit het water en newfoundlanders brachten drenkelingen op het droge. Daarom hebben honden met een verleden als waterwerker vaak een waterafstotende vacht en zwemvliezen tussen de tenen. 
Er zijn ook honden die moeite hebben het hoofd boven water te houden omwille van hun lichaamsbouw. Zij die een lange rug en korte pootjes hebben, zoals bijvoorbeeld teckels, kunnen moeite hebben met peddelen. Kortsnuitige honden worstelen eerder met hun ademhaling: ze worden sneller moe. Ten slotte zijn er ook honden die omwille van de verdeling van hun lichaamsgewicht niet zo goed kunnen zwemmen, zoals de Engelse buldog. Er bestaan uiteraard uitzonderingen, zo zijn er ook teckels die vlot de vijver overzwemmen en labradors die sukkelen in de sloot.